Verkeersstrafrecht
Verlaten plaats ongeval (art. 7 WVW)
De delictsomschrijving
Artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:
“1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:
a. Bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;
b. Daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig.”
Kort en zakelijk weergegeven gaat het dus om het verlaten van de plaats waar een ongeval is gebeurd indien de bestuurder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij aan een ander letsel en/of schade heeft toegebracht en/of de door van een ander heeft veroorzaakt. Het artikel is op 1 januari 1995 in werking getreden.
Een toelichting
Overtreding van artikel 7 WVW komt veelvuldig voor. Jaarlijks komt het zo’n duizend keer voor dat de bestuurder door-/wegrijdt na betrokkenheid bij een ongeval waarbij een ander gewond is geraakt. Door-/wegrijden bij ongelukken waarbij uitsluitend materiële schade is ontstaan, gebeurt nog veel vaker, namelijk zo’n 40.000 keer per jaar. Artikel 7 WVW is vanwege de frequentie van gevallen waarbij dit artikel aan de orde is dus een belangrijk artikel in de Wegenverkeerswet. Het artikel richt zich tot degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt. De achterliggende gedachte van het artikel is dat degene die schade lijdt door de gedraging van een ander in de gelegenheid moet worden gesteld de andere partij aansprakelijk te stellen voor deze schade.
Betrokkenheid bij een verkeersongeval
Het belangrijkste bestanddeel in de delictsomschrijving van artikel 7 WVW is de betrokkenheid bij een verkeersongeval van de verdachte. Hiervan is sprake wanneer het voertuig van de verdachte rechtstreeks bij het verkeersongeval is betrokken. Dat kan het geval zijn wanneer deze verdachte met een andere bestuurder in botsing komt, maar ook wanneer deze als bestuurder van een geparkeerde auto bij het verkeersongeval betrokken is. Ook de passagier van een motorrijtuig kan als betrokkene worden aangemerkt indien een ongeval door zijn gedraging wordt veroorzaakt.
In de praktijk is vaak evident wie als betrokkene bij het verkeersongeval aangemerkt kan worden.
Degene door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt
Niet alleen degene die rechtstreeks is betrokken bij een verkeersongeval kan strafbaar zijn op grond van artikel 7 WVW, maar ook degene door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt. Als voorbeeld van een dergelijke situatie heeft de wetgever als voorbeeld gegeven de bestuurder die ten onrechte geen voorrang verleent waardoor een voorrangsgerechtigde bestuurder moet uitwijken ten gevolge waarvan hij tegen een ander voertuig botst. Een ander voorbeeld is de bestuurder die keert waardoor achter hem een kettingbotsing ontstaat.
Deze situatie komt minder vaak voor dan de situatie waarin de bestuurder die in botsing komt met een ander doorrijdt. Toch is ook deze situatie in de praktijk relevant.
Strafuitsluitingsgrond
Artikel 7 WVW bevat ook een strafuitsluitingsgrond, namelijk in lid 2 van het artikel. Indien degene die de plaats van het ongeval heeft verlaten op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden zijn identiteit vast te stellen dan wel de identiteit van zijn motorrijtuig vast te stellen, leidt dit tot uitsluiting van strafbaarheid. Niet is vereist dat de bestuurder dit zelf doet. Ook een ander kan dit namens de bestuurder doen. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de bestuurder die een ongeval veroorzaakt met uitsluitend materiële schade, maar in de omgeving van de auto niet degene aantreft van wie de auto is. Wanneer diegene dan een briefje onder de ruitenwisser van de benadeelde doet met zijn/haar gegevens, heeft hij behoorlijk de gelegenheid geboden zijn identiteit vast te stellen. Deze persoon is daardoor niet strafbaar op grond van artikel 7 lid 1 WVW.
Vervolgingsuitsluitingsgrond
Er is ook een vervolgingsuitsluitingsgrond ten aanzien van artikel 7 lid 1 sub a WVW. Deze is opgenomen in artikel 184 WVW en luidt als volgt:
“Bij overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is strafvervolging tegen de in dat artikel bedoelde overtreder uitgesloten, indien deze binnen twaalf uren na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het ongeval kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn identitieit, en voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens de identiteit van dat motorrijtuig bekend maakt.”
1 Hoge Raad 28 september 2004, NJ 2004/683.
2 Hoge Raad 4 oktober 2011, NJ 2012/235.
3 Hoge Raad 28 september 2004, NJ 2004/683.
4 Kamerstukken II 1990-91, 22 030, nr. 3, p. 72.
5 Gerechtshof Arnhem 17 augustus 2010, VR 2011/21.
Dit artikel bevat een soort tweede kans voor degene die de plaats van een ongeval verlaat terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij aan een ander letsel en/of schade heeft toegebracht. Wanneer deze bestuurder zich binnen twaalf uur na het ongeval uit eigen beweging meldt bij de politie en aldaar zijn identiteit en die van zijn motorrijtuig bekendmaakt, wordt de bestuurder niet vervolgd. Van belang is dus wel dat dit uit eigen beweging gebeurt. De verdachte die zich bij de politie meldt omdat hij weet dat hij wordt gezocht, kan gewoon vervolgd worden. Verder geldt deze vervolgingsuitsluitingsgrond niet ten aanzien van artikel 7 lid 1 sub b van de Wegenverkeerswet, dus bestaat er geen tweede kans voor de bestuurder die bij een verkeersongeval betrokken is waarbij hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij een ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
De strafbedreiging
Overtreding van artikel 7 WVW is een misdrijf. De maximumstraf die op het misdrijf is gesteld, is een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden en/of een geldboete van de derde categorie (art. 176 lid 3 WVW). Als bijkomende straf kan een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd van maximaal vijf jaren of tien jaren bij recidive (art. 179 lid 1 en lid 4 WVW).
De afdoening
Een overtreding van artikel 7 WVW kan worden afgedaan middels een strafbeschikking. Deze strafbeschikking kan op een OM-zitting aan de verdachte worden opgelegd, maar kan ook rechtstreeks (als geldboete) per post aan de verdachte worden toegezonden. Hiervan zal in de meeste gevallen door het OM gebruik worden gemaakt, mits de overtreding van artikel 7 WVW op zichzelf staat en geen sprake is van recidive. Indien de overtreding van artikel 7 WVW gepaard gaat met andere strafbare feiten, zoals overtreding van artikel 6 WVW, zal er vaak voor worden gekozen de verdachte te dagvaarden voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Verder kan een overtreding van artikel 7 WVW afgedaan worden middels een zogenaamde OM-transactie. Toch zal dit zelden tot nooit gebeuren.
Bekijk ook het overzicht van verkeersstrafrecht, lees meer over kosten rechtsbijstand of bekijk onze werkwijze.
Uw zaak bespreken met een strafrechtadvocaat?
Meld uw zaak aan of laat u terugbellen. Een gespecialiseerde strafrechtadvocaat uit ons netwerk neemt contact met u op. De aanmelding is gratis en vrijblijvend.