Artikel 240 Wetboek van Strafrecht

De delictsomschrijving

Artikel 240 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat een afbeelding of voorwerp aanstotelijk voor de eerbaarheid is en die afbeelding of dat voorwerp:
1. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, openlijk tentoonstelt of aanbiedt;
2. aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezendt.”

Kort en zakelijk weergegeven gaat het dus om het tonen van een aanstootgevende afbeelding of voorwerp aan iemand die dat niet wil. De meest recente versie van het artikel is op 27 juli 1986 in werking getreden.

Een toelichting

Het artikel richt zich tot degene die (een) ander(en) ongewild en onverhoeds confronteert met pornografisch materiaal. Deze anderen moeten volwassen zijn, omdat artikel 240a als lex specialis ziet op het aanbieden van pornografisch materiaal aan jeugdigen. De pornografie dient voorts te zien op meerderjarigen, nu kinderpornografie separaat is strafbaar gesteld in artikel 240b Sr, als lex specialis. De strafbepaling strekt tot het beschermen van de vrijheid van diegenen die geen kennis wensen te nemen van afbeeldingen en/of voorwerpen van pornografische aard.

Opzet

Voor overtreding van artikel 240 Sr is allereerst van belang dat de verdachte opzet had op de gedragingen (het tentoonstellen, aanbieden en/of toezenden van de afbeeldingen/voorwerpen). Ten aanzien van het aanstotelijke karakter van deze afbeeldingen en/of voorwerpen, is opzet (weten) of culpa (ernstige reden om te vermoeden) vereist. De ondergrens van het vereiste opzet wordt in dezen gevormd door het voorwaardelijk opzet. In de praktijk is het opzet op de gedragingen veelal niet moeilijk te bewijzen. Immers, met het tentoonstellen, aanbieden en/of toezenden van bepaalde afbeeldingen/voorwerpen zal het opzet vaak gegeven zijn.

Aanstotelijk voor de eerbaarheid

Het bestanddeel ‘aanstotelijk voor de eerbaarheid’ heeft dezelfde betekenis als ‘schennis van de eerbaarheid’ als bedoeld in artikel 239 Sr. Niet ieder(e) pornografische afbeelding en/of voorwerp is per definitie aanstotelijk voor de eerbaarheid. Of in een specifiek geval sprake is van aanstotelijkheid voor de eerbaarheid dient te worden bepaald aan de hand van de heersende zeden. De Hoge Raad doelt met het begrip eerbaarheid op “de eerbaarheid als algemeen begrip zoals dat moet worden opgevat naar de hier te lande heersende zeden, welke worden bepaald door de bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk op dit punt levende opvattingen”. Het gaat hierbij dus om toetsing aan de algemene eerbaarheid. De eerbaarheid van het slachtoffer is in dezen niet leidend. Centraal staat de onder de bevolking heersende seksuele moraal. Nu artikel 240 Sr op allerlei manieren kan worden overtreden en onder andere ook van toepassing is op voor het openbaar verkeer openstaande plaatsen, kan de afbeelding en/of het voorwerp per situatie op een geheel andere wijze worden beoordeeld. De concrete toets is aan de rechter. Hoewel de wet niet voorziet in excepties op deze aanstotelijkheid, kan toch van belang zijn in welke context een bepaald(e) afbeelding en/of voorwerp wordt getoond. Immers, representeert de afbeelding en/of het voorwerp iets kunstzinnigs en/of wetenschappelijks, dan zal aanstotelijkheid minder snel worden aangenomen.

Afbeelding en/of voorwerp

De wet spitst zich expliciet toe op afbeeldingen en/of voorwerpen. Geschriften kunnen derhalve niet onder de reikwijdte van artikel 240 Sr worden gebracht. Dit was ook de expliciete bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van dit artikel.

Op of aan plaatsen voor het openbaar verkeer bestemde plaatsen

Zoals onder 1. van artikel 240 Sr staat vermeld, is het openlijk tentoonstellen en/of aanbieden van aanstootgevende afbeeldingen en/of voorwerpen strafbaar. Het gaat hier om de openbare plaatsen die men in het normale verkeerd betreedt. Denk hierbij aan de openbare weg, parken, winkelcentra, bossen, speelterreinen, stations etc. Ook het plaatsen van bepaald pornografisch materiaal op Facebook kan onder de reikwijdte van deze strafbepaling worden gebracht. Voorts impliceert het woord “aan” dat de waarneembaarheid doorslaggevend is. Ook de aanstoot die vanaf een voor het openbaar verkeer bestemde plaats kan worden waargenomen is derhalve strafbaar. Denk hierbij aan het tentoonstellen van een pornografische afbeelding aan de voorruit van een woning.

Aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden

Onder 2. van artikel 240 Sr is strafbaar gesteld het anders dan op verzoek aan een ander toezenden van een aanstootgevende afbeelding en/of voorwerp. Denk hierbij aan het versturen van dergelijk materiaal via de mail, WhatsApp of via een chat.

De strafbedreiging

Overtreding van artikel 240 Sr is een misdrijf. De maximumstraf die op het misdrijf is gesteld, is een gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden en/of een geldboete van de derde categorie.

Hoewel de straffen voor dit soort feiten vaak niet heel hoog zijn, zijn de gevolgen van een veroordeling wel enorm. Immers, overtreding van artikel 240 Sr is een zedenfeit. Dit wordt gedurende lange tijd meegenomen bij het al dan niet verstrekken van een verklaring omtrent het gedrag (VOG).

1

De afdoening

Een overtreding van artikel 240 Sr kan worden afgedaan middels een strafbeschikking. Deze strafbeschikking kan op een OM-zitting aan de verdachte worden opgelegd, maar kan ook rechtstreeks (als geldboete) per post aan de verdachte worden toegezonden. Er kan eveneens voor worden gekozen de verdachte te dagvaarden om bij de politierechter te verschijnen. Verder kan een overtreding van artikel 240 Sr afgedaan worden middels een zogenaamde OM-transactie. Toch zal dit zelden tot nooit gebeuren.

Een advocaat

Juist omdat een veroordeling voor overtreding van art. 240 Sr zo’n grote gevolgen kan hebben in de toekomst, is het van groot belang dat u zich laat bijstaan door een gespecialiseerde advocaat. U kunt ons altijd benaderen voor gespecialiseerde juridische bijstand!

  1. 1 Hoge Raad 17 november 1970, NJ 1971/373.
    2 Hoge Raad 13 juni 1972, NJ 1973/297.
    3 Gerechtshof Amsterdam 19 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4648.
[DISPLAY_ULTIMATE_SOCIAL_ICONS]