Zedenzaken
Bijkomende straf (art. 251 Sr)
De omschrijving
Artikel 251 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
“1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 240b tot en met 247 onderscheidenlijk 248a tot en met 250 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten worden uitgesproken.
2. Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 240b tot en met 247 en 248a tot en met 250 omschreven, het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.”
Kort en zakelijk weergegeven gaat het dus om het faciliteren van het opleggen van bijkomende straffen voor de genoemde feiten. De meest recente versie van het artikel is op 1 januari 2005 in werking getreden.
De feiten
Voor de volgende feiten kan ingevolge artikel 251 Sr een bijkomende straf worden opgelegd:
- Art. 240b Sr
- Art. 242 Sr
- Art. 243 Sr
- Art. 244 Sr
- Art. 245 Sr
- Art. 246 Sr
- Art. 247 Sr
- Art. 248a Sr
- Art. 248b Sr
- Art. 248c Sr
- Art. 248d Sr
- Art. 248e Sr
- Art. 248f Sr
- Art. 249 Sr
- Art. 250 Sr
De rechten
De rechten waarvan de verdachte kan worden ontzet op grond van dit artikel betreffen de rechten genoemd in artikel 28, lid 1, sub 1, 2 en 4 Sr, namelijk:
- Het bekleden van (bepaalde) ambten (sub 1);
- Het dienen bij de gewapende macht (sub 2);
- Het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder (sub 4).
Bekijk ook het overzicht van zedenzaken, lees meer over kosten rechtsbijstand of bekijk onze werkwijze.
Uw zaak bespreken met een strafrechtadvocaat?
Meld uw zaak aan of laat u terugbellen. Een gespecialiseerde strafrechtadvocaat uit ons netwerk neemt contact met u op. De aanmelding is gratis en vrijblijvend.